KenniscentrumZiekte/aandoening › Carpale tunnel syndroom › Carpale-tunnel-syndroom

Carpale-tunnel-syndroom

Bij het carpaal-tunnel-syndroom (CTS) is een zenuw in de pols bekneld geraakt. Deze loopt van de onderarm naar de hand via een tunnel: de carpale tunnel (zie afbeelding). In deze tunnel loopt ook een aantal pezen. Bij irritatie of zwelling hiervan kan de zenuw bekneld raken en ontstaan klachten. Het carpale-tunnel-syndroom komt bij vrouwen vaker voor dan bij mannen.

Klachten

De klachten bij CTS kunnen nogal verschillen. Zo kan iemand last hebben van:
  • Een prikkelend en pijnlijk gevoel van de vingers (vaak met uitzondering van de pink);
  • Een stijf, gezwollen gevoel in de hand;
  • Een uitstralende pijn naar de onderarm, elleboog en schouder;
  • Een vermindering van kracht in de hand, waardoor bijvoorbeeld het opendraaien van een fles moeilijk is.
Veel mensen hebben 's nachts meer last van de klachten dan overdag. 's Nachts worden ze wakker van de klachten. Het schudden van de hand vermindert dan vaak de klachten. Over het algemeen verergeren de symptomen als de hand gebruikt wordt, zoals bij fietsen, autorijden of handwerken. Sommige mensen hebben juist meer last als ze hun hand niet gebruiken.
Hoewel de klachten meestal aan één hand beginnen, krijgt een groot deel van de mensen uiteindelijk last van beide handen.

Oorzaken

CTS komt bij vrouwen regelmatig voor in de zwangerschap of aan het begin van de overgang. Daarnaast lijden mensen met suikerziekte, een te langzaam werkende schildklier en reumatoïde artritis vaker aan CTS.

Diagnose

In het Slingeland Ziekenhuis kunnen mensen met klachten terecht bij de polikliniek Carpale-tunnel-syndroom, onderdeel van Neurologie. Bij de CTS-polikliniek krijgt de patiënt in één ochtend een onderzoek, de uitslag en zo mogelijk al een behandeling of de voorbereiding hierop. Mocht een operatie nodig zijn dan volgt tijdens het eerste bezoek ook een gesprek met de chirurg of plastisch chirurg. Zo nodig kan de patiënt binnen een maand geopereerd zijn.
Een bezoek aan de CTS-polikliniek begint bij de neuroloog. Deze specialist brengt samen met de patiënt de klachten in kaart en doet lichamelijk onderzoek. Dat kan bestaan uit:
  • Een onderzoek van de zenuwen in de arm: EMG-onderzoek.
  • Een echografie, een onderzoek naar beknelling of verdikking in de arm.
Vervolgens beoordeelt de neuroloog de klachten en de uitslag van het EMG-onderzoek en bespreekt met de patiënt welke behandeling het beste is.

Behandeling

Mogelijke behandelingen zijn:
  • Afwachten of er spontaan herstel optreedt.
  • Spalk om de pols (brace).
  • Injecties met corticosteroïden en een lokaal verdovend medicijn.
  • Operatieve behandeling door de chirurg of plastisch chirurg.

Afwachten

In dit geval wordt er geen behandeling gestart en wordt gekeken of de klachten vanzelf verdwijnen. Bij een kwart van de patiënten treedt spontaan herstel op en gaan de klachten vanzelf over. Eventueel wordt een afspraak gemaakt voor een vervolgbezoek.

Spalk

De patiënt krijgt de voorgefabriceerde spalk meestal direct mee naar huis. Deze spalk dient hij of zij zes weken 's avonds en 's nachts te dragen. Dit zorgt ervoor dat de pols rust krijgt. De zorgverzekeraar vergoedt de kosten van de spalk(en).

Injectie met Depomedrol®

De neuroloog dient een injectie met Depomedrol® toe in de pols. Dit vermindert de zwelling in de pols zodat de zenuwbeknelling afneemt. Het bestaat uit een combinatie van lidocaïne (verdovend middel) en een corticosteroïd (ontstekingsremmer).
Na de injectie kan de hand enige uren verdoofd en tintelend aanvoelen. Dit komt door de lidocaïne. Ook kan de patiënt eerst wat meer pijn krijgen in zijn hand. Daarnaast kan de injectie een bloeduitstorting veroorzaken. Deze klachten verdwijnen over het algemeen snel. Na enkele dagen is er verbetering te verwachten van de CTS-klachten. Na drie tot zes weken beoordeelt de neuroloog het uiteindelijke effect. Het effect van de injectie is vaak slechts tijdelijk. De klachten kunnen na enkele maanden tot een jaar terugkomen. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer drie op de vier patiënten baat heeft bij één injectie. Soms kan een tweede injectie. Een klein percentage heeft er geen baat bij. In dat geval is een operatieve behandeling nodig.

Operatieve behandeling

Bij ernstige klachten en bij beperkingen in het dagelijks functioneren, gaat de voorkeur uit naar een operatieve behandeling van het CTS. Bij de operatie heft de chirurg of plastisch chirurg de beknelling van de zenuw op door de dwarse polsband (het dak van de tunnel) door te snijden. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor de beknelde zenuw.
Een chirurg of plastisch chirurg voert de operatie uit. De patiënt kan zelf aangeven door wie hij geopereerd wil worden. Heeft de patiënt geen voorkeur, dan kijkt de secretaresse bij welke behandelaar de patiënt voor de operatie terechtkan. De operatie kan meestal binnen drie weken plaatsvinden.

Consultkaart 

Bij het maken van de keuze tussen bovengenoemde behandelmogelijkheden, kunt u gebruik maken van de consultkaart ‘Carpale Tunnel Syndroom’. Hierop worden de voor- en nadelen van de behandelingen met elkaar vergeleken.

Meer informatie

Meer informatie over de behandeling is te vinden in de folders over het 'Carpale-tunnel-syndroom' van de verschillende vakgroepen.


Links




Deel deze pagina: