KenniscentrumZiekte/aandoening › Epilepsie › Epilepsie

Epilepsie

Bij epilepsie treedt er een plotselinge, tijdelijke verstoring van het elektrisch evenwicht in de hersenen op. Hierdoor verliest iemand tijdelijk de controle over zijn lichaam. De meeste epileptische aanvallen duren hooguit een paar minuten en gaan vanzelf over. Zo’n korte aanval beschadigt de hersenen niet. Wel kan iemand zichzelf verwonden wanneer hij valt. Eén op de 150 Nederlanders lijdt aan epilepsie.

Klachten

Een epileptische aanval kan zich op verschillende manieren uiten:iemand kan bijvoorbeeld bewusteloos raken, vallen, gaan schokken met armen of benen, wrijven of mompelen.

Na de aanval

Na een aanval kan iemand korte tijd verward zijn of klachten hebben van vermoeidheid, hoofdpijn, spierpijn of een tijdelijk verminderde functie van een arm en/of been. Meestal kan de persoon zich niet veel van de aanval herinneren. Sommige patiënten voelen de aanval aankomen, anderen juist niet.
Aanvallen kunnen overal in de hersenen beginnen. Soms komt de aanval uit een deel van de hersenen voort (partiele epilepsie), maar het is ook mogelijk dat alle hersengebieden betrokken zijn (gegeneraliseerde aanvallen). De meeste mensen hebben steeds dezelfde soort aanvallen. Aanvallen komen meestal onverwacht.

Soort aanvallen

Korte aanval (absence)

Dit type aanval treft kinderen in de basisschoolleeftijd. Het kind reageert een paar seconden nergens op. Deze absences kunnen zich een paar keer per dag voordoen. Het kind kan moeite krijgen met leren.

Spierverslapping (atonische aanval)

Bij iemand met een atonische aanval verslappen de spieren en de persoon zakt in elkaar, waarbij hij of zij hard kan vallen. Ook is hij of zij een paar seconden bewusteloos. Deze aanvallen komen vooral bij kinderen voor.

Grote aanval (tonisch-clonische aanval)

Eerst verkrampen alle spieren van het lichaam, daarna gaat de persoon heftig schokken en raakt hij of zij kort bewusteloos. Sommige mensen zijn na de aanval verward of zo moe dat ze meteen in slaap vallen. Na een grote aanval kan een deel van het lichaam een paar minuten tot een paar uur verzwakt of verlamd zijn.

Complexe partiële aanval

Deze aanval begint vaak met een specifieke geur, een vieze smaak of een onbestemd gevoel. Het kan zijn dat iemand dingen ziet, hoort, voelt of droomt. Het bewustzijn is verlaagd. Ook kan iemand vreemde bewegingen maken en traag of niet reageren op zijn omgeving.

Eenvoudige partiële aanval

De meeste mensen met een eenvoudige partiële aanval realiseren zich dat ze een aanval hebben. De persoon raakt niet bewusteloos en kan lichte spiertrekkingen hebben. Ook kan iemand van alles voelen, zien, horen en proeven.

Aanval met kleine spierschokken (myoclonische aanval)

De meeste mensen met een myoclonische aanval realiseren zich dat ze een aanval hebben, omdat ze niet bewusteloos raken. Bij deze aanval schokken de armen of benen met één schokje of een hele serie schokjes. Een enkele keer schokt het hele lichaam.

Status epilepticus

Een status epilepticus is een aanval of een opeenvolging van aanvallen die langer dan een kwartier duurt. Zo’n aanval is erg gevaarlijk. Het kan leiden tot zuurstofgebrek en hartritmestoornissen. Het kan veroorzaakt worden door koorts, ernstige stress of plotseling stoppen met medicijnen, maar niet altijd is een duidelijke oorzaak aan te wijzen.

Oorzaak

Soms is er een duidelijke oorzaak voor epilepsie, zoals een hersenziekte, beroerte of hersenbeschadiging na een ongeval. Daarnaast kan erfelijkheid een rol spelen. In twee derde van de gevallen is er geen duidelijke oorzaak. Een aantal vormen van epilepsie is leeftijdsgebonden. Dat houdt in dat de aanvallen bijvoorbeeld in de basisschoolleeftijd voorkomen en met het ouder worden kunnen verdwijnen.
Er zijn wel factoren bekend die epilepsie kunnen uitlokken:
  • teveel alcohol of plotseling stoppen met veel alcohol drinken;
  • bepaalde drugs;
  • slaaptekort;
  • lichtflitsen;
  • voor of na een periode van stress;
  • menstruatie;
  • koorts;
  • niet innemen van medicatie.

Diagnose

Om de diagnose epilepsie te kunnen stellen, vraagt de neuroloog de patiënt of zijn naaste een gedetailleerde beschrijving te geven van een aanval, bij voorkeur ondersteund door een video-opname. De neuroloog kan ook aanvullend onderzoek doen:
• Een hersenfilmpje (EEG) om de elektrische activiteit van de hersenen te meten.
CT-scan of MRI-scan
Soms lijkt een aanval op epilepsie maar is er sprake van iets anders, zoals een koortsstuip, flauwvallen, hyperventilatie of een nachtmerrie. Bij epilepsie is er altijd sprake van meerdere aanvallen.

Rijvaardigheid

Wanneer iemand de diagnose epilepsie krijgt, kan het betekenen dat auto- of motorrijden enige tijd niet is toegestaan. Een patiënt moet zelf melding maken van zijn ziekte bij het Centraal Bureau voor Rijvaardigheid.

Behandeling

Bij sommige mensen gaat epilepsie vanzelf over. Behandeling kan met medicijnen, maar soms kan ook gewoon afgewacht worden.

Medicijnen: anti-epileptica

Mensen met epilepsie kunnen medicijnen krijgen om aanvallen te onderdrukken, de zogeheten anti-epileptica. Er zijn meerdere soorten beschikbaar, waarvan niet direct duidelijk is welke werken bij welke patiënt. In 70 procent van de gevallen werken deze medicijnen goed, maar bij de andere 30 procent onvoldoende. Het kan lang duren voordat de juiste medicijnen zijn gevonden. Ook kan medicatie bijwerkingen als sufheid en huiduitslag geven.

Afwachten

Niet elke patiënt krijgt anti-epileptica voorgeschreven. Soms kiezen arts en patiënt ervoor om een tijdje af te wachten. Bijvoorbeeld als er een aanval is geweest en er een hoge kans lijkt te zijn dat er geen aanval meer komt.

Hersenoperatie

Bij een klein deel van de patiënten bij wie anti-epileptica niet werken, biedt een hersenoperatie soms uitkomst. Het moet dan gaan om epileptische aanvallen die afkomstig zijn van een hersenengebied dat voor het verdere functioneren niet belangrijk is. Bij de operatie zal een stukje hersenweefsel worden weggenomen.
Een operatie is alleen mogelijk als de aanvallen steeds op dezelfde plek in de hersenen beginnen. Deze plek wordt de epilepsiehaard genoemd. De oorzaak kan een tumor of litteken zijn of het hersenweefsel functioneert op die plaats niet goed.

Dieet of neurostimulatie

In andere gevallen kan behandeling bestaan uit een vetrijk (ketogeen) dieet of behandeling via neurostimulatie. Bij neurostimulatie krijgt de patiënt via een operatie een stimulator onder de borstspier, een zogeheten nervus vagus stimulator. Dit implantaat geeft regelmatig een prikkel aan de hersenen. Ook kan de patiënt zichzelf een prikkel geven als hij een aanval voelt aankomen. Veel patiënten krijgen hierdoor minder vaak en minder ernstige aanvallen of in een enkel geval helemaal geen aanvallen meer.

Begeleiding

Het Slingeland Ziekenhuis heeft een verpleegkundig Epilepsiespreekuur voor patiënten en hun naasten.

Hulp bij een aanval

Wanneer iemand een epileptische aanval heeft is het belangrijk ervoor te zorgen dat de patiënt zich niet kan bezeren. Ook is het belangrijk om rustig te blijven. Leg de persoon na de aanval op zijn zij. Probeer in geen geval hem met geweld rustig te houden en stop niets tussen de tanden.
Wanneer de aanval niet vanzelf binnen twee minuten stopt, kan een naaste een zetpil, neusspray of druppels (midazolam) in de wangzak geven. Dit middel kan door de neuroloog worden voorgeschreven. Als de aanval langer dan vijf minuten duurt, is het belangrijk om een ambulance te bellen:
  • Door zuurstofgebrek kunnen hersenen en hart overbelast raken.
  • Door de aanval kan iemand zich verwonden.

Meer informatie

Folders

Patiëntenverenigingen

Overige links

 



Deel deze pagina: